Goedkope benzine, dure poortjes
Ze zeggen altijd: in Oost-Europa is de benzine goedkoop. En ja hoor, je tankt vrolijk voor €1,40 de liter en voelt je even de koning te rijk. Tot je de snelweg opdraait en merkt dat er achter elke afrit een nieuwe poortwachter staat te wachten. Niet in de vorm van een man met een speer, maar een slagboom die zijn hand ophoudt.
Welkom in de grote illusie van goedkoop rijden door Oost-Europa: je betaalt minder aan de pomp, maar des te meer aan het systeem eromheen.
In Oostenrijk mag je eerst je sticker of digitaal vignet kopen. En als dat nog niet genoeg is, betaal je extra voor tunnels. Want lucht kost blijkbaar ook geld, zolang je er doorheen rijdt.
In Slovenië hebben ze het nog slimmer gedaan: geen stickers meer, maar een digitaal vignet. Makkelijker voor de overheid, net zo duur voor jou.
Kroatië doet niet aan vignetten. Nee, daar schuif je als een kassakoek door tolpoortjes. Alsof je niet op vakantie bent, maar in de rij voor een pretpark — met dat verschil dat de attractie gewoon een rechte weg is.
Het mooiste is de rekensom. Je tankt €20 goedkoper vol dan in Nederland. Je voelt je even slim. Maar na drie grensovergangen ben je €70 kwijt aan stickers, codes, e-vignetten en tolkaartjes. Gefeliciteerd: je hebt de goedkoopste benzine van Europa, en de duurste weg naar je bestemming.
En dan die bureaucratische pareltjes. Koop je in Oostenrijk online een jaarvignet, dan mag je pas na 18 dagen de snelweg op. Want de EU vindt dat je bedenktijd moet hebben. Alsof iemand denkt: ik koop een vignet, gebruik het tien minuten, en stuur het daarna terug omdat het niet paste bij m’n auto.
Maar ach, zo houdt iedereen wat werk. De benzinepomphouder blij, de tolmaatschappij blij, de EU blij — en jij, de automobilist? Jij mag weer doorrijden. Langs het volgende poortje. Met een brede glimlach, want goedkoop rijden was nog nooit zo duur.
